DE PROFEETAMOS

HOOFDSTUK 7.

Door drie gezichten, het eerste van sprinkhanen, vs. 1, enz. Het tweede van een verterend vuur, 4. In welke beide straffen God de voorbede van den profeet aanneemt; en het derde van een paslood of richtsnoer, 7. Wordt afgebeeld, dat God, na lang geduld, Israël niet meer wil verschonen, en de nakomelingen des konings uitroeien, 8. De priester Amazia klaagt Amos aan bij den koning van conspiratie en oproer, 10. Gebiedt hem, dat hij zich van Bethel zal wegpakken naar Juda, 12. Maar Amos verdedigt zich met Gods beroeping, en zegt Amazia en den zijnen Gods oordeel aan, 14.

Drie gezichten
1

DE Heere HEERE deed mij aldus 1zien; en zie, 2Hij formeerde 3sprinkhanen, in het begin des opkomens van het nagras; en zie, het was het nagras na des konings 4afmaaiingen.

2

En het geschiedde als 5zij het kruid des lands 6geheel zouden hebben afgegeten, dat ik zeide: Heere HEERE, 7vergeef toch; wie zou er van8Jakob 9blijven staan? Want hij is 10klein.

3

Toen11berouwde zulks den HEERE. Het zal niet 12geschieden, zeide de HEERE.

4

Wijders deed mij de Heere HEERE aldus zien; en zie, de Heere HEERE riep uit dat Hij wilde 13twisten met 14vuur; en het verteerde een 15groten afgrond, ook verteerde het een stuk land.

5

Toen zeide ik: Heere HEERE, houd toch op; wie zou er van Jakob blijven staan? Want hij is klein.

6

Toen berouwde zulks den HEERE. Ook dit zal 16niet geschieden, zeide de Heere HEERE.

7

Nog deed Hij mij aldus zien; en zie, de Heere stond op een muur 17die naar het paslood gemaakt was; en een 18paslood was in Zijn hand.

8

En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Amos? En ik zeide: Een paslood. Toen zeide de Heere: Zie, Ik zal het 19paslood stellen in het midden van Mijn volk Israël; Ik zal 20het 21voortaan niet meer 22voorbijgaan.

9

Maar 23Izaks hoogten zullen verwoest en Israëls 24heiligdommen verstoord worden; en Ik zal tegen 25Jeróbeams 26huis opstaan met het 27zwaard.

Amázia zoekt Amos te verschrikken
10

28Toen zond Amázia, de priester te Bethel, tot Jeróbeam, den koning van Israël, zeggende: Amos heeft een 29verbintenis tegen u gemaakt in het midden van het huis Israëls; het land zal al zijn woorden niet kunnen 30verdragen.

11

Want alzo zegt Amos: 31Jeróbeam zal door het zwaard sterven, en Israël zal 32voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd.

12

Daarna zeide Amázia tot Amos: Gij 33ziener, ga weg, 34vlied in het land van 35Juda; en 36eet aldaar brood en profeteer aldaar.

13

Maar te Bethel zult gij 37voortaan 38niet meer profeteren; want dat is des konings 39heiligdom, en dat is het 40huis des koninkrijks.

14

Toen antwoordde Amos en zeide tot Amázia: Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon, maar ik was een 41ossenherder en 42las 43wilde vijgen af.

15

Maar de HEERE nam mij van achter de 44kudde, en de 45HEERE zeide tot mij: Ga heen, profeteer tot Mijn volk Israël.

16

Nu dan, hoor des HEEREN woord: Gij zegt: Gij zult niet profeteren tegen Israël, noch a46druppen tegen het huis van Izak.

17

Daarom zegt de HEERE alzo: Uw vrouw zal in de stad 47hoereren, en uw zonen en uw dochters zullen door het zwaard vallen, en uw land zal door het 48snoer uitgedeeld worden; en gij zult in een 49onrein land sterven, en Israël zal 50voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd.