HET VIERDE BOEK VANMOZES,GENAAMDNUMERI

HOOFDSTUK 6.

Wetten van de gelofte van het nazireeërschap, vs. 1, enz. Van de reinheid daarin gevorderd, 3. Van de wijze hoe een nazireeër die verontreinigd was, moest verzoend worden, 9. Van de ceremoniën die men gebruiken moest, als de gelofte volbracht was, 13. Van het formulier der zegening hetwelk de priesters moesten volgen in het zegenen der gemeente, 22.


De gelofte van het nazireeërschap

1EN de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

2Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Wanneer een man of een vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte eens 1nazireeërs, om zich den HEERE af te zonderen;

1Het Hebreeuwse woord nazir, geschreven met de letter zain, betekent een afgezonderde, te weten van de wereld, om zich ganselijk tot de bedenking van Goddelijke dingen en de waarneming van den heiligen godsdienst over te geven. De nazireeërs waren een beeld dat in Christus niet letterlijk, maar geestelijk vervuld is. Zie ook van dezen Richt. 13:5. Klgld. 4:7. Amos 2:11. Zij zijn te onderscheiden van degenen die met de letter tsade geschreven worden en genaamd Natsarenen, van de stad Natsareth, alzo ook de Heere Christus een Nazarener genoemd wordt, Matth. 2:23, en de Christenen Nazarenen, Hand. 24:5. De nazireeërs nu waren tweeërlei: I. die God daartoe expresselijk verkoos, als Simson, Richt. 13:5, en (zo enigen houden) Johannes de Doper, Luk. 1:15; II. die door vrijwillige gelofte zodanigen werden, van dewelke hier gesproken wordt.

3Van wijn en sterken drank zal hij zich afzonderen; wijn-edik en edik van sterken 2drank zal hij niet drinken, noch enige 3vochtigheid van druiven zal hij drinken, noch verse of gedroogde druiven eten.

2Zie Lev. 10 op vers 9.

3Of: sap.

4Al de dagen van zijn nazireeërschap zal hij niet eten van iets dat van den 4wijnstok des wijns gemaakt is, van de kernen af tot de 5basten toe.

4Alzo Richt. 13:14. Dat is, die wijndruiven draagt en wijn voortbrengt. Het tegendeel is een wijnstok die dat niet doet, Hagg. 2:20.

5Of: pelletjes.

5Al de dagen der gelofte van zijn nazireeërschap zal het ascheermes over zijn hoofd niet gaan; totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich den HEERE zal afgezonderd hebben, zal hij 6heilig zijn, latende de lokken van het haar zijns hoofds wassen.

6Dat is, den Heere geheiligd en toegeëigend.

a Richt. 13:5. 1 Sam. 1:11.

6Al de dagen die hij zich den HEERE zal afgezonderd hebben, zal hij tot het 7lichaam eens doden niet gaan.

7Hebr. ziel. Zie vers 11. Lev. 19 op vers 28.

7Om zijn vader of om zijn moeder, om zijn broeder of om zijn zuster, om hen zal hij zich niet verontreinigen, als zij dood zijn; want 8het nazireeërschap zijns Gods is op zijn hoofd.

8Dat is, het teken van zijn nazireeërschap of afzondering, te weten het lange haar, hetwelk hij zolang zijn gelofte duurde, moest ongeschoren laten. Vgl. vss. 9, 19.

8Al de dagen zijns nazireeërschaps is hij den HEERE heilig.

9En zo de gestorvene bij hem onvoorziens haastelijk gestorven ware, dat hij 9het hoofd van zijn nazireeërschap zou verontreinigd hebben, zo zal hij op den dag zijner reiniging zijn hoofd 10bescheren; op 11den zevenden dag zal hij het bescheren.

9Zie op vers 7.

10Dat is, zijn haar tot de huid toe met een scheermes afnemen.

11Zo lang moest een mens die een dode aangeroerd had, voor onrein gehouden worden. Zie Lev. 15:13. Vgl. Num. 12:14.

10En op den achtsten dag zal hij twee tortelduiven of twee 12jonge duiven brengen tot den priester, tot de deur van de tent der samenkomst.

12Hebr. zonen der duif.

11De priester nu zal een bereiden ten zondoffer en een ten brandoffer, en zal voor hem verzoening doen, van dat hij 13aan het 14dode lichaam 15gezondigd heeft; alzo zal hij zijn hoofd op dienzelven dag 16heiligen.

13Of: bij, omtrent.

14Hebr. ziel.

15Versta deze zonde van de ceremoniële onreinheid, dewelke hij gekregen had door aangeroerd te zijn van het dode lichaam of daarbij geweest te zijn, hoewel tegen zijn weten en wil.

16Zie Lev. 8 op vers 30.

12Daarna zal hij de dagen van zijn nazireeërschap den HEERE 17afzonderen, en zal 18een lam dat eenjarig is, brengen ten schuldoffer; en de vorige dagen zullen 19vallen, omdat zijn nazireeërschap verontreinigd was.

17Te weten, opnieuw zich onthoudende van die dingen dewelke vermeld zijn vss. 3, 4, 5, 6, 7, wederom aanvangende zijn nazireeërschap, alsof hij tevoren niets gedaan had, om daarin zovele dagen als hij beloofd had, te volharden.

18Hebr. een zoon zijns jaars.

19Dat is, voor niets en tevergeefs zijn en in geen rekening komen.

13En dit is de wet 20des nazireeërs: ten dage als de dagen van zijn nazireeërschap zullen vervuld zijn, zal hij 21dit brengen tot de deur van de tent der samenkomst:

20Dat is, van het offer des nazireeërs.

21Te weten dit offer, hetwelk gemeld wordt in de volgende vss. 14, 15.

14Hij dan zal tot zijn offerande den HEERE offeren een volkomen 22eenjarig lam ten brandoffer en een volkomen 23eenjarig ooilam ten zondoffer, en een volkomen ram ten dankoffer,

22Hebr. een zoon zijns jaars.

23Hebr. een dochter haars jaars.

15En een korf ongezuurde koeken, koeken van meelbloem met olie gemengd, en ongezuurde vladen met olie bestreken, mitsgaders 24hun spijsoffer en hun drankoffers.

24Spijsoffer en drankoffer worden zo onderscheiden dat het eerste is geweest van droge, het andere van vochtige dingen. Zie van het spijsoffer Lev. 2 op vers 1 en van het drankoffer Lev. 23 op vers 13, en van beide onderscheidenlijk genoemd, gelijk hier, Joël 1:9, 13.

16En de priester zal het voor het aangezicht des HEEREN 25brengen, en zal zijn zondoffer en zijn brandoffer bereiden.

25Of: offeren.

17Hij zal ook den ram ten dankoffer den HEERE bereiden, met den korf der ongezuurde koeken; en de priester zal zijn spijsoffer en 26zijn drankoffer bereiden.

26Vgl. Gen. 35 de aant. op vers 14.

18Alsdan zal de nazireeër aan de deur van de tent der samenkomst 27bhet hoofd van zijn nazireeërschap bescheren; en hij zal het hoofdhaar van zijn nazireeërschap nemen, en hij zal het leggen op het vuur dat onder het dankoffer is.

27Zie op vers 9.

b Hand. 21:24.

19Daarna zal de priester een gezoden schouder nemen van den ram en één ongezuurden koek uit den korf en één ongezuurde vlade; en hij zal ze op de handen des nazireeërs leggen, nadat hij zijn 28nazireeërschap afgeschoren heeft.

28Dat is, het haar hetwelk hem in zijn nazireeërschap gewassen is.

20En de priester zal die cbewegen ten 29beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN; het is een heilig ding voor den priester, met de borst des beweegoffers en met den 30schouder des hefoffers; en daarna zal die nazireeër wijn drinken.

29Hoe het beweegoffer van het hefoffer te onderscheiden is, zie Lev. 7 op vers 30.

30Of: achterbout.

c Ex. 29:27.

21Dat is de wet des nazireeërs, die zijn offerande den HEERE voor zijn nazireeërschap zal beloofd hebben, 31behalve wat zijn hand bekomen zal; naar zijn gelofte dewelke hij beloofd zal hebben, alzo zal hij doen 32naar de wet van zijn nazireeërschap.

31Dat is, uitgenomen hetgeen hij boven de voormelde offerande nog vrijwilliglijk naar zijn vermogen beloven en offeren wilde. Meer mocht hij wel doen, maar niet minder, zijnde de offerande die in deze wet voorgeschreven wordt zowel den arme als den rijke opgelegd.

32Anders: boven, of behalve.

De priesterlijke zegen

22En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

23Spreek tot Aäron en zijn zonen, zeggende: Alzo zult gijlieden de kinderen Israëls 33zegenen, zeggende tot hen:

33Dat is, als priesters en dienaren Gods in de algemene bijeenkomst alle goed, welvaren en zaligheid aan de gemeente van God toewensen.

24De HEERE 34zegene u en behoede u;

34Zie Gen. 12 op vers 2.

25De HEERE 35doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig;

35Het aangezicht Gods betekent Zijn voorzienigheid en tegenwoordigheid, om te straffen of te zegenen. Van het aangezicht der straf of wraak zie Lev. 17:10. Ps. 34:17; 51:11. Van het aangezicht der gunst en zegening is hier gesproken, alsook 2 Kron. 30:9. Ps. 13:2, enz. God nu wordt gezegd Zijn aangezicht te doen lichten, als Hij Zijn genade, zegen en weldadigheid met de daad bewijst, Ps. 31:17; 80:4, 8, 20; 119:135. Dan. 9:17.

26De HEERE 36verheffe Zijn aangezicht over u en 37geve u 38vrede.

36Dat is, hebbe geduriglijk de ogen Zijner genadige voorzienigheid over u, om uw ingang en uitgang te bewaren, tot uw best, hetwelk God niet doet als Hij gezegd wordt Zijn aangezicht te verbergen, of af te keren, Deut. 32:20. Ez. 7:22.

37Hebr. zette, dat is, voege u vrede toe, of geve u vrede.

38Zie Gen. 37 op vers 14.

27Alzo zullen zij 39Mijn Naam op de kinderen Israëls leggen; en Ik zal hen zegenen.

39Dit geschiedde eensdeels met aanroeping van den Goddelijken Naam, anderdeels met uitstrekking hunner handen over de gemeente, alsof zij den zegen des Heeren om denwelken zij baden, het gehele volk van Godswege met de daad hadden willen toebrengen en overgeven.