HET BOEKJOZUA

HOOFDSTUK 2.

Jozua zendt twee mannen uit, om het land Kanaän en Jericho te verspieden, vs. 1, enz. Dewelke de koning van die stad laat zoeken, 3. Maar Rachab verbergt hen, 4. En bedriegt listiglijk des konings boden, 5. En zij verhaalt de grote verbaasdheid van het volk van die stad en van het land, verklarende dat zulks van God den Heere kwam, 9. Zij verzoekt dat de Israëlieten haar en haars vaders huis bij het leven willen laten, 12. Hetwelk de verspieders haar beloven bij ede, doch met conditie, 14. Daarna keren zij weder tot Jozua, 23. En brengen hem goede tijding, 24.


Rachab en de verspieders

1JOZUA nu, de zoon van Nun, had twee mannen die 1heimelijk verspieden zouden, gezonden van 2Sittim, zeggende: Gaat heen, bezichtigt het land en 3Jericho. Zij dan gingen en kwamen ten huize 4van een vrouw, een hoer, wier naam was Rachab, en zij sliepen daar.

1Hebr. stilzwijgende. Dat is, hij had dit het volk niet geopenbaard, gelijk Mozes gedaan had toen hij twaalf mannen uitgezonden had, Num. 13:2; 32:8.

2Gelegen in het land der Moabieten, alwaar zich de Israëlieten misgaan hebben met hoererij en met afgoderij met den Baäl-Peor, Num. 25:1.

3Jericho werd naderhand toegedeeld aan den stam van Benjamin; omtrent honderd en vijftig stadiën van Jeruzalem, zestig van de Jordaan. Dit is de eerste stad die de Israëlieten met geweld hebben aangetast. Zij was gelegen in een effen vruchtbaar land, waar vele palmbomen wiesen, waarvan zij de palmstad genoemd wordt, Deut. 34:3. Richt. 1:16. 2 Kron. 28:15.

4Anders: van een vrouw die een hoer was. Het Hebreeuwse woord betekent ook een waardin; maar Hebr. 11:31 en Jak. 2:25 wordt Rachab uitdrukkelijk een hoer genoemd.

2Toen werd den koning te Jericho geboodschapt, zeggende: Zie, in dezen nacht zijn hier mannen gekomen van de kinderen Israëls, om dit land te doorzoeken.

3Daarom zond de koning van Jericho tot Rachab, zeggende: Breng de mannen uit die tot u gekomen zijn, die te uwen huize gekomen zijn, want zij zijn gekomen om het ganse land te doorzoeken.

4Maar die vrouw had die beide mannen genomen en zij 5had hen verborgen, en 6zeide aldus: Er zijn mannen tot mij gekomen, maar ik wist niet vanwaar zij waren.

5Hebr. had hem verborgen, te weten elkeen van hen.

6Anders: en zij zeide: Het is recht.

5En het geschiedde als men de poort zou sluiten, als het duister was, dat die mannen uitgingen; ik weet niet waarheen die mannen gegaan zijn; jaagt hen haastelijk na, want gij zult hen achterhalen.

6Maar zij had hen op het dak doen klimmen, en zij had hen verstoken 7onder de vlasstoppelen die van haar op het dak beschikt waren.

7Hebr. in het vlas van het hout; aldus schijnt genoemd te zijn het vlas dat ruw is en zijn stoppelen nog bij zich heeft. Daar zijn er die menen, dat bij het vlas van het hout te verstaan is boomwol, hetwelk ξύλινον en ξύλον van de Grieken genoemd wordt, hetwelk in Syrië en Assyrië veel gevonden werd.

7Die mannen nu jaagden hen na op den weg van de Jordaan tot aan de 8veren; en men sloot de 9poort toe, nadat zij uitgegaan waren die hen najaagden.

8Versta hier het veer, of veren, waar men over de Jordaan pleegt te varen; opdat men hen daar niet over zou laten.

9Te weten de stadspoort, opdat die verspieders, indien zij nog in de stad waren, niet zouden kunnen ontkomen.

8Eer zij nu sliepen, zo klom zij tot hen op, op het dak.

9En zij sprak tot die mannen: Ik weet dat de HEERE u dit land gegeven heeft, en dat 10ulieder verschrikking op ons gevallen is en dat al de inwoners dezes lands voor ulieder aangezicht gesmolten zijn.

10Dat is, verschrikking uliederhalve, of vanwege ulieden.

10Want wij hebben gehoord dat de HEERE ade wateren der Schelfzee uitgedroogd heeft voor ulieder aangezicht, toen gij uit Egypte gingt; en bwat gijlieden den twee koningen der Amorieten, Sihon en Og, gedaan hebt, die op gene zijde der Jordaan waren, dewelke gijlieden 11verbannen hebt.

11Zie Deut. 2 op vers 34.

a Ex. 14:21. Joz. 4:23. b Num. 21:24, 34.

11Als wij het hoorden, 12zo versmolt ons hart en er bestaat geen moed meer in iemand vanwege ulieder tegenwoordigheid; want cde HEERE ulieder God is een God boven in den hemel en beneden op de aarde.

12Dat is, wij hebben al onzen moed of courage verloren. Zie deze manier van spreken ook Deut. 1:28; 20:8. Joz. 5:1; 7:5. Jes. 13:7. Ez. 21:15. Nah. 2:10.

c Deut. 4:39.

12Nu dan, zweert mij toch bij den HEERE, dewijl ik weldadigheid aan ulieden gedaan heb, dat gij ook weldadigheid doen zult aan mijns vaders 13huis, en geeft mij een waarteken,

13Dat is, geslacht. Zie Joz. 6:23, 25.

13Dat gij mijn vader en mijn moeder in het leven zult behouden, alsook mijn broeders en mijn zusters, met alles wat zij hebben; en dat gij 14onze zielen van den dood redden zult.

14Dat is, onze personen.

14Toen spraken die mannen tot haar: 15Onze ziel zij voor ulieden om te sterven, indien 16gijlieden deze onze zaak niet te kennen geeft; het zal dan geschieden wanneer de HEERE ons dit land geeft, zo zullen wij aan u weldadigheid en trouw 17bewijzen.

15Dat is, wij zullen u en de uwen verschonen en beschermen, al zou het ons het leven kosten.

16Dat is, gij of iemand van de uwen.

17Hebr. doen.

15Zij liet hen dan neder met een zeel door het venster; want haar huis was op den stadsmuur, en zij woonde op den muur.

16En zij zeide tot hen: Gaat op het gebergte, opdat niet misschien de vervolgers u ontmoeten; en verbergt u aldaar drie dagen, totdat de vervolgers wedergekeerd zullen zijn, en gaat daarna uw weg.

17Ook zeiden die mannen tot haar: Wij zullen 18onschuldig zijn 19van dezen uw eed dien gij ons hebt doen zweren;

18Dat is, vrij. Alzo ook vers 20.

19Dat is, van den eed dien gij ons afgenomen hebt.

18Zie, wanneer wij in het land komen, zo zult gij dit snoer van scharlaken draad aan het venster binden, door hetwelk gij ons zult nedergelaten hebben; en gij zult tot u in het huis vergaderen uw vader en uw moeder en uw broederen en het ganse huisgezin uws vaders.

19Zo zal het geschieden, al wie uit de deuren van uw huis naar buiten gaan zal, 20dzijn bloed zij op zijn hoofd en wij zullen onschuldig zijn; maar al wie bij u in het huis zijn zal, diens bloed zij op ons hoofd, indien een hand tegen hem zijn zal.

20Dat is, die zij zelf schuldig daaraan, indien zijn bloed vergoten wordt.

d Matth. 27:25.

20Maar indien gij deze onze zaak te kennen zult geven, zo zullen wij onschuldig zijn van uw eed dien gij ons hebt doen zweren.

21Zij nu zeide: Het zij alzo naar uw woorden. Toen liet zij hen gaan, en zij gingen heen; en zij bond het scharlaken snoer aan het venster.

22Zij dan gingen heen en kwamen op het gebergte, en bleven aldaar drie dagen, totdat de vervolgers wedergekeerd waren; want de vervolgers hadden hen 21op al den weg gezocht, maar niet gevonden.

21Te weten naar de Jordaan toe gaande, maar zij zochten hen op het gebergte niet, waar zich de verspieders onthielden.

2322Alzo keerden die twee mannen weder en gingen af van het gebergte, en 23voeren over en kwamen tot Jozua, den zoon van Nun; en zij vertelden hem 24al wat hun wedervaren was.

22Dat is, zij kwamen weder op hun rechten weg, van denwelken zij geweken waren om niet te vallen in de handen dergenen die hen vervolgden.

23Te weten over de Jordaan.

24Hebr. al wat hen gevonden had.

24En zij zeiden tot Jozua: Zekerlijk, de HEERE heeft dat ganse land in onze handen gegeven; want ook zijn al de inwoners des lands voor onze aangezichten gesmolten.