HET TWEEDE BOEK VANMOZES,GENAAMDÉXODUS

HOOFDSTUK 34.

God beveelt Mozes twee stenen tafelen te houwen, waarin Hij Zijn wet wederom wilde schrijven, vs. 1, enz. Met deze twee tafelen gaat Mozes op den berg, 4. De Heere komt nederwaarts in een wolk, en roept Zijn Naam uit overluid, 5. Mozes bidt den Heere dat Hij met hen wil gaan, 8. Hetwelk Hij belooft, en maakt een verbond met hen, en Hij waarschuwt hen voor de afgoderij der Kanaänieten en derzelver huwelijken, 10. Het gebod van ongezuurde broden, en van de eerstgeborenen wordt vernieuwd, alsook van den sabbat, en andere feesten, 18. Nog andere wetten, 26. Nadat Mozes veertig dagen op den berg geweest was, zo komt hij nederwaarts met de twee tafelen, 28. Zijn aangezicht glinstert, hetwelk hij bedekt, 29. Hij geeft hun te kennen alles wat de Heere met hem gesproken had op den berg Sinaï, 32. Mozes had een deksel op zijn aangezicht als hij met het volk sprak, 33.


De nieuwe stenen tafelen

1TOEN azeide de HEERE tot Mozes: Houw u twee stenen tafelen, gelijk de eerste waren; zo zal Ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden die op de eerste tafelen geweest zijn, die gij gebroken hebt.

a Deut. 10:1.

2En wees bereid 1tegen den morgenstond; dat gij in den morgenstond op den berg Sinaï klimt, en stel u aldaar voor Mij op den 2top des bergs.

1Dit is de tweede maal dat Mozes op den berg Sinaï geweest is, elke reize veertig dagen en veertig nachten.

2Hebr. hoofd.

3bEn 3niemand zal met u opklimmen; dat er ook niemand gezien worde op den gansen berg; cook het kleine vee noch runderen zullen tegenover dezen berg weiden.

3Toen Mozes de eerste maal op den berg opging, zo waren bij hem Aäron, Nadab, en Abihu, met zeventig van de oudsten van Israël; maar nu waren zij voor den Heere stinkende geworden, vanwege de afgoderij die zij met het gouden kalf bedreven hadden.

b Ex. 19:12. c Ex. 19:13.

4Toen hieuw hij twee stenen tafelen gelijk de eerste; en Mozes stond des morgens vroeg op en klom op den berg Sinaï, gelijk als hem de HEERE geboden had; en hij nam de twee stenen tafelen in zijn hand.

De HEERE verschijnt aan Mozes

5De HEERE nu kwam nederwaarts in een 4wolk en stelde Zich aldaar bij hem; en 5Hij riep uit den Naam des HEEREN.

4Te weten die wolk die een zeker teken was van de tegenwoordigheid des Heeren.

5Te weten de Heere. Zie Ex. 33:19.

6dAls nu de HEERE voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep 6Hij: HEERE HEERE, God, barmhartig en genadig; 7lankmoedig en groot van weldadigheid en 8waarheid;

6Te weten de Heere.

7Hebr. lang van toornigheden, dat is, langzaam tot toorn, niet haastig om Zijn toorn uit te voeren. Alzo ook Num. 14:18. Pred. 7:8, enz. Het tegendeel hiervan is kort van toornigheden, dat is, haastig tot toorn, Spr. 14:17.

8Zie Gen. 24:27.

d Ex. 33:19.

7eDie de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid en overtreding en zonde vergeeft; 9Die den schuldige geenszins onschuldig houdt, fbezoekende de ongerechtigheid 10der vaderen 11aan de kinderen en aan de kindskinderen, 12in het derde en in het vierde lid.

9Hebr. Die onschuldig houdende niet onschuldig houdt.

10Te weten der boze en goddeloze vaderen.

11Te weten, indien zij hunner vaderen kwade voetstappen volgen.

12Hebr. aan de derde en aan de vierde, Ex. 20:5. Deut. 5:9.

e Ex. 20:6. Num. 14:18. Deut. 5:10. Ps. 86:15; 103:8; 145:8. f Jer. 32:18.

8Mozes nu haastte en neigde het hoofd ter aarde en hij boog zich,

9En hij zeide: Heere, indien ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, 13zo ga nu de Heere in het midden van ons, want dit is een hardnekkig volk; doch vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan tot geen erfdeel.

13Te weten, met de wolkkolom ons leidende en verkwikkende.

g Lev. 25:38. Ps. 28:9; 33:12. Zach. 2:12.

Vernieuwing van het verbond

10Toen zeide Hij: Zie, hIk maak een verbond; ivóór uw ganse volk zal Ik wonderen doen, die niet geschapen zijn op de ganse aarde, noch onder enige volken; alzo dat dit ganse volk, in welks midden gij zijt, des HEEREN werk zien zal, dat het schrikkelijk is hetwelk Ik 14met u doe.

14O Israël. Anders: met u, o Mozes.

h Deut. 5:2. i Joz. 10:12, 13.

1115Onderhoud gij hetgeen dat Ik u heden gebied; zie, Ik zal voor uw aangezicht uitdrijven de Amorieten en de Kanaänieten en de Hethieten en de Ferezieten en de Hevieten en de Jebusieten16.

15Hier volgen nu de conditiën des verbonds, die God de Heere van het volk vereist.

16Versta hierbij ook de Girgasieten.

12kWacht u, dat gij toch geen verbond maakt met den inwoner des lands waarin gij komen zult; dat hij misschien niet tot een strik worde in het midden van u.

k Ex. 23:32. Num. 33:51. Deut. 7:2.

13Maar hun altaren zult gijlieden omwerpen en hun opgerichte beelden zult gij verbreken, en hun 17bossen zult gij afhouwen

17Te weten dezulke in dewelke zij afgoderij bedreven hadden.

14l(Want gij zult u niet buigen voor een anderen god; want des HEEREN Naam is IJveraar, een ijverig God is Hij);

l Ex. 20:5.

15Opdat gij misschien geen verbond maakt met den inwoner van hetzelve land; en zij hun goden niet 18nahoereren, noch hun goden offeranden doen, en hij u nodigende, gij van hun offerande eet,

18Dat is, afgoderij bedrijven, hetwelk geestelijke hoererij genoemd wordt, Jer. 3:9. Zie Lev. 17 op vers 7.

16En gij voor uw zonen vrouwen neemt van hun dochters; men hun dochters, haarlieder goden nahoererende, maken dat ook uw zonen haar goden nahoereren.

m 1 Kon. 11:2.

17Gij zult u geen 19gegoten goden maken.

19Versta hieronder ook geschilderde, gehouwen, gesneden goden. Hier worden met name de gegoten beelden genoemd ten aanzien van het gegoten kalf dat zij aangebeden hadden.

1820Het feest der ongezuurde broden zult gij houden; zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten, gelijk Ik u geboden heb, nte gezetter tijd der maand Abib; want in de maand Abib zijt gij uit Egypte uitgegaan.

20Zie Ex. 13:6.

n Ex. 12:15; 23:15.

1921oAl wat de baarmoeder opent is Mijne; ja, al uw vee dat mannelijk zal geboren worden, 22openende de baarmoeder van het grote en kleine vee.

21Hebr. Alle opening van de moeder, dat is, alle eerstgeboorte. Zie Exodus 13.

22Hebr. opening van den os, dat is, van de koeien of grote beesten, en van het vee.

o Ex. 13:2; 22:29. Ez. 44:30.

20pDoch den 23ezel die de baarmoeder opent, zult gij met een stuk kleinvee lossen; maar indien gij hem niet zult lossen, zo zult gij hem 24den nek breken. Al de eerstgeborenen uwer zonen zult gij lossen, qen men zal voor Mijn aangezicht 25niet ledig verschijnen.

23Of: ezelin. Den ezel of de ezelin mocht men niet offeren, als zijnde onrein.

24Of: onthalzen of den hals doorhouwen.

25Dat is, niet zonder gave of geschenk; wat men den priester gaf, dat werd gerekend alsof men het God gaf.

p Ex. 13:13. q Ex. 23:15. Deut. 16:16.

21rZes dagen zult gij arbeiden, maar op den zevenden dag zult gij rusten; in den ploegtijd en in den oogst 26zult gij rusten.

26Te weten op den sabbat.

r Ex. 20:9.

22s27Het feest der weken zult gij ook 28houden, zijnde het feest der eerstelingen van den tarweoogst; en het 29feest der inzameling, 30als het jaar om is.

27Versta hier het pinksterfeest, hetwelk gevierd werd zeven weken na pascha, Lev. 23:15. Hand. 2:1.

28Hebr. doen; alzo ook Ex. 31:16. Deut. 16:1.

29Dat is, ten tijde als gij uw vruchten uit het veld te huis brengt.

30Hebr. van de omloping des jaars.

s Ex. 23:16.

23tAl wat mannelijk is onder u zal driemaal in het jaar voor het aangezicht des Heeren HEEREN, des Gods van Israël, verschijnen.

t Ex. 23:17. Deut. 16:16.

24Wanneer Ik de volken voor uw aangezicht uit de bezitting zal verdrijven en uw landpalen verwijden, dan zal niemand uw land begeren, terwijl gij henen opgaan zult om te verschijnen voor het aangezicht des HEEREN uws Gods, driemaal in het jaar.

25vGij zult het bloed van Mijn slachtoffer niet offeren met 31gedesemd brood; het slachtoffer van het paasfeest zal ook niet vernachten tot den morgen.

31Dat is, zolang als er gedesemd brood in uw huis is.

v Ex. 23:18.

2632De xeerstelingen van de eerste vruchten uws lands zult gij in het huis des HEEREN uws Gods brengen. yGij zult het bokje in de melk zijner moeder niet koken.

32Dat is, het begin der eerste vruchten, als Ex. 23:19.

x Ex. 23:19. Deut. 26:2. y Ex. 23:19. Lev. 22:27. Deut. 14:21.

27Verder zeide de HEERE tot Mozes: Schrijf u deze woorden; want 33naar luid dezer woorden heb Ik een verbond met u en met Israël gemaakt.

33Hebr. naar den mond dezer woorden.

28zEn hij was aldaar met den HEERE veertig dagen en veertig nachten; hij at geen 34brood en hij dronk 34geen water; aen 35Hij schreef op de tafelen de 36woorden des verbonds, de tien 36woorden.

34. 34Onder het woord brood wordt allerlei spijze verstaan; gelijk onder het woord water allerlei drank.

35Te weten de Heere, als vers 1 en Deut. 10:2 te zien is. Dat God vers 27 Mozes dit te schrijven beveelt, is te verstaan dat hij het schrijven zou in het boek der wet, als Ex. 17:14; maar niet dat hij het op de twee stenen tafelen schrijven zou.

36. 36Dat is, geboden, als Gal. 5:14.

z Ex. 24:18. Deut. 9:9, 18. a Ex. 31:18; 34:1. Deut. 4:13.

Mozes' glinsterend aangezicht

29En het geschiedde toen Mozes van den berg Sinaï afging (de twee tafelen der getuigenis nu waren in de hand van Mozes, als hij van den berg afging), zo wist Mozes niet, dat het vel zijns aangezichts b37glinsterde, 38toen Hij met hem sprak.

37Dat is, stralen uitgaf, gelijk de zon. Het Hebreeuwse woord komt van een woord dat hoornen betekent. Hieruit is het misverstand gekomen dat men Mozes met hoornen schildert.

38Of: van dat Hij (te weten de Heere) met hem gesproken had, of omdat Hij, enz.

b 2 Kor. 3:7.

30Als nu Aäron en al de kinderen Israëls Mozes aanzagen, zie, zo glinsterde het vel zijns aangezichts; daarom 39vreesden zij tot hem toe te treden.

39Het schijnt dat zij vooreerst hem niet goed kenden, maar meenden dat het een engel was.

31Toen riep hen Mozes; en Aäron en al de 40oversten in de vergadering 41keerden weder tot hem, en Mozes sprak tot hen.

40Of: vorsten, regeerders, prinsen.

41Hem nu beter kennende bij zijn stem.

32En 42daarna traden al de kinderen Israëls toe; en hij gebood hun al wat de HEERE met hem gesproken had op den berg Sinaï.

42Te weten, nadat de oversten en oudsten des volks eerst tot Mozes gegaan waren, en zij nu zagen dat Mozes met dezelve sprak.

33Alzo eindigde Mozes met hen te spreken; en chij had een deksel op zijn aangezicht gelegd.

c 2 Kor. 3:7, 13.

34Doch als Mozes voor het aangezicht des HEEREN kwam om met Hem te spreken, zo nam hij dat deksel af, totdat hij uitging; en nadat hij uitgegaan was, zo sprak hij tot de kinderen Israëls wat hem geboden was.

3543Zo zagen dan de kinderen Israëls het aangezicht van Mozes, dat het vel van Mozes' aangezicht glinsterde; derhalve deed Mozes het deksel weder op zijn aangezicht, totdat hij inging om 44met Hem te spreken.

43Mozes liet het volk den glans van zijn aangezicht zien, opdat zij zijn woorden des te eer en te meer geloven zouden; daarna deed hij het deksel weder op zijn aangezicht, als hij met hen spreken wilde, opdat zij hem niet schuwen noch mijden zouden.

44Te weten met God.