HET BOEKESTHER

HOOFDSTUK 6.

De koning niet kunnende slapen, laat het boek der kronieken brengen, vs. 1. Waarin men geschreven vindt het boze voornemen van Bigthana en Theres, door Mordechai ontdekt, 2. De koning vraagt wat eer Mordechai hiervoor gedaan was. Zijn dienaars zeggen: Geen, 3. Haman in het voorhof zijnde, 4. Wordt ingeroepen, 5. En de koning vraagt hem wat men dien man behoort te doen, dien de koning eren wil, 6. Antwoord van Haman hierop, 7. De koning beveelt Haman dat hij Mordechai al de eer zou aandoen, die hij gezegd had, 10. Hetwelk hij doet, 11. Daarna gaat hij naar huis, treurig zijnde, 12. En vertelt al zijn wedervaren aan zijn huisvrouw en vrienden, die hem zijn verderen val voorzeggen, 13. Hij wordt ter maaltijd van Esther gedreven, 14.


Mórdechai geëerd

1IN denzelven nacht 1was de slaap van den koning geweken; en hij zeide dat men 2het boek der gedachtenissen, 3de kronieken, brengen zou, en zij werden 4in de tegenwoordigheid des konings 5gelezen.

1Hebr. de slaap des konings was weggevlucht; dat is, de koning kon niet slapen. Dit is alzo door de beschikking Gods geschied.

2Dat is, in hetwelk de gedenkwaardige zaken der koningen in Perzië en Medië geschreven en bij memorie gesteld waren. Anders: het memorieboek.

3Hebr. de woorden der dagen.

4Hebr. voor des konings aangezicht.

5Deze koning wilde zijn tijd niet onnuttelijk doorbrengen, maar dewijl hij niet slapen kon, zo liet hij zich wat nuttigs voorlezen.

2En men vond geschreven 6dat Mórdechai had te kennen gegeven van 7Bigthána en Theres, twee kamerlingen des konings, uit de dorpelwachters, die de hand zochten te leggen aan den koning Ahasvéros.

6Zie Esth. 2:21.

7Genoemd Bigthan Esth. 2:21.

3Toen zeide de koning: Wat eer en 8verhoging is Mórdechai 9hierover gedaan? En de jongelingen des konings, zijn dienaars, zeiden: Aan 10hem is 11niets gedaan.

8Hebr. grootheid.

9Te weten vanwege het ontdekken der moordenaars.

10Dat is, hij heeft al heel geen loon noch verering ontvangen voor het ontdekken en aanbrengen van dit moorddadige voornemen tegen den koning.

11Hebr. geen woord of zaak.

4Toen zeide de koning: Wie is 12in het voorhof? (Haman nu was gekomen in het buitenvoorhof van het huis des konings, 13om den koning te zeggen dat men Mórdechai zou hangen aan de galg die hij hem had doen bereiden.)

12Versta hier het buitenvoorhof, alwaar des konings dienaars waren op zijn dienst passende.

13Dat is, om met den koning te spreken, dat men, enz.

5En des konings jongelingen zeiden tot hem: Zie, Haman staat in het voorhof. Toen zeide de koning: Dat hij inkome.

6Als Haman ingekomen was, zo zeide hem de koning: Wat zal men met dien man doen tot wiens eer de koning een welbehagen heeft? Toen zeide Haman 14in zijn hart: Tot wien heeft de koning een welbehagen om hem eer te doen, 15meer dan tot mij?

14Dat is, bij zichzelven.

15Dit besloot hij uit de veelheid der weldaden die hij alreeds van den koning genoten had.

7Daarom zeide Haman tot den koning: Den man tot wiens eer de koning een welbehagen heeft,

8Zal men 16het koninklijke kleed brengen dat de koning pleegt aan te trekken, en het paard waarop de koning pleegt te rijden, en dat de 17koninklijke kroon op zijn hoofd gezet worde.

16Hebr. het kleed des koninkrijks.

17Hebr. kroon des koninkrijks.

9En men zal dat kleed en dat paard geven in de hand van een uit de vorsten des konings, van de grootste heren, en men zal het dien man aantrekken tot wiens eer de koning een welbehagen heeft; en men zal hem 18op dat paard doen rijden door de straten der stad en men zal voor hem roepen: Alzo zal men dien man doen tot wiens eer de koning een welbehagen heeft.

18Dit is eertijds geweest een van de grootste eerbewijzen, die de koningen hun liefsten en meest geëerden vrienden deden. Zie dergelijke Gen. 41:43. 1 Kon. 1:33.

10Toen zeide de koning tot Haman: Haast u, neem dat kleed en dat paard, gelijk als gij gesproken hebt, en doe Mórdechai, den Jood, alzo, die aan de poort des konings zit; en laat niet één woord vallen van alles wat gij gesproken hebt.

11En Haman nam dat kleed en dat paard, en trok het kleed Mórdechai aan, en deed hem rijden door de straten der stad, en hij riep voor hem: Alzo zal men dien man doen tot wiens eer de koning een welbehagen heeft.

12Daarna keerde Mórdechai weder tot de poort des konings; maar Haman 19werd voortgedreven naar zijn huis, treurig en 20met bedekten hoofde.

19Of: dreef zichzelven voort, te weten door hartzeer en verdriet. Vgl. 2 Kron. 26:20.

20Hebr. bedekt van hoofd. Een teken van droefenis. Zie 2 Sam. 15:30. Jer. 14:4.

13En Haman vertelde aan zijn huisvrouw Zeres en al zijn vrienden al wat hem wedervaren was. Toen zeiden hem 21zijn wijzen en Zeres, zijn huisvrouw: 22Indien Mórdechai, voor wiens aangezicht gij hebt begonnen te vallen, van het zaad der Joden is, zo zult gij tegen hem niet vermogen, 23maar gij zult gewisselijk voor zijn aangezicht vallen.

21Dat is, zijn raadsheren, welker raad hij gewoon was te gebruiken in grootwichtige zaken. Doch anderen verstaan hier de tovenaars en voorzeggers, met dewelke zich Haman in deze zaak beried.

22Anders: Dewijl.

23Hebr. gij zult vallende vallen voor zijn aangezicht.

14Toen zij nog met hem spraken, zo kwamen des konings kamerlingen nabij, en zij haastten Haman tot den maaltijd te brengen dien Esther bereid had.