HET TWEEDE BOEK VANSAMUËL

HOOFDSTUK 4.

Isboseth en de zijnen worden door Abners dood verbaasd, vs. 1. Twee kapiteins vermoorden Isboseth, en brengen zijn hoofd tot David, 2. Die hen laat ombrengen en ophangen, maar Isboseths hoofd begraven, 9.


Isbóseth vermoord

1ALS nu Sauls 1zoon hoorde dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijn handen 2slap en gans Israël werd 3verschrikt.

1Isboseth.

2Dat is, hij verloor allen moed en courage om tegen David te krijgen. Vgl. 2 Sam. 17:2. Ezra 4:4. Jes. 13:7; 35:3. Jer. 38:4; 47:3; 50:43. Zef. 3:16.

3Of: beroerd; omdat Abner met hen gehandeld hebbende van het koninkrijk op David te brengen, nu gestorven was, zodat zij niet wisten wat van de zaak zou mogen worden. De anderen die het nog met Sauls huis hielden, zijn verbaasd geworden door het verlies van dezen krijgsoverste, op welken het huis van Saul steunde.

2En Sauls zoon had twee mannen, oversten van 4benden: de naam des enen was 5Báëna en de naam des anderen Rechab, zonen van Rimmon, den Beërothiet, van de kinderen van Benjamin; want ook 6Beëroth werd aan Benjamin 7gerekend;

4Van stropend en rovend krijgsvolk, als 2 Sam. 3:22.

5Hebr. Baänah.

6Zie Joz. 18:25.

7Ofschoon de Benjaminieten na Sauls nederlaag (als in het volgende verhaald wordt) daaruit gevlucht waren en de Filistijnen deze plaats (gelijk andere) mogen hebben ingenomen. Zie 1 Sam. 31:7.

3En de Beërothieten waren gevloden naar 8Gitthaïm, en waren aldaar vreemdelingen tot op dezen dag.

8Neh. 11:33 wordt een stad van dezen naam gesteld in Benjamin. Sommigen menen dat er nog een andere plaats bij de zuidergrenzen van Juda is geweest, waarheen zij veiligheidshalve zouden gevlucht zijn en zich daar zo wel bevonden, dat zij aan het wederkeren niet dachten, totdat de zaken van Sauls huis aldus waren verlopen, en dit beschreven werd ten tijde als het juist tevoren geschied was.

4aEn 9Jónathan, Sauls zoon, had een zoon die 10geslagen was aan beide voeten; 11vijf jaren was hij oud als het 12gerucht van Saul en Jónathan uit Jizreël kwam, en zijn voedster hem opnam en vluchtte; en het geschiedde als zij haastte om te vluchten, dat hij viel en kreupel werd; en zijn naam was 13Mefibóseth.

9Die in den strijd met zijn vader Saul gebleven was.

10Dat is, lam; als volgt. Alzo 2 Sam. 9:3.

11Hebr. hij was een zoon van vijf jaren.

12De tijding van de nederlaag.

13Hebr. Mefiboscheth, anders genoemd Meribbaäl, 1 Kron. 8:34.

a 2 Sam. 9:3.

5En de zonen van Rimmon, den Beërothiet, Rechab en Báëna, 14gingen heen en kwamen ten huize van Isbóseth, 15als de dag heet geworden was; en hij 16lag op de slaapstede in den middag.

14Ziende dat Isboseths zaken, na Abners dood, van kleine waarschijnlijkheid waren, en dat David ongetwijfeld aan het koninkrijk zou komen, dewijl Mefiboseth, als lam zijnde (gelijk in het voorgaande vers verhaald is), ondeugdelijk was tot de successie en zijn wraak niet te vrezen, zo hebben zij dezen moord bestaan om bij David in gunst te geraken.

15Of: omtrent de hitte des daags.

16Om te rusten, of een middagslaap te nemen. Vgl. 2 Sam. 11:2.

6En zij kwamen daarin tot het midden des huizes, als zullende 17tarwe halen, en zij sloegen hem aan de 18vijfde rib; en Rechab en zijn broeder Báëna ontkwamen.

17Zich verstellende en gelatende alsof zij korenkopers of korendragers waren.

18Als 2 Sam. 2:23; 3:27.

7Want zij kwamen in huis als hij op zijn bed lag in zijn slaapkamer, en sloegen hem en doodden hem en 19hieuwen zijn hoofd af; en zij namen zijn hoofd en gingen heen, den weg op het 20vlakke veld, den gansen nacht.

19Hebr. deden zijn hoofd weg of af.

20Van Mahanaïm (waar Isboseth hof hield, 2 Sam. 2:8, 29) de Jordaan passerende, gingen zij haastelijk over de vlakke velden van Jericho naar Hebron.

8En zij brachten het hoofd van Isbóseth tot David te Hebron en zeiden tot den koning: Zie, daar is het hoofd van Isbóseth, den zoon van Saul, uw vijand, die 21uw ziel zocht; alzo heeft de HEERE mijn heer den koning te dezen dage wraken gegeven van Saul en van zijn zaad.

21Dat is, die uw leven zocht, u naar het leven stond. Zie Ex. 4 op vers 19. 1 Sam. 20:1; 23:15. 2 Sam. 16:11. Ps. 63:10, enz. Elders betekent deze manier van spreken ook iemands leven zoeken te behouden, Spr. 29:10.

9Maar David antwoordde Rechab en zijn broeder Báëna, den zonen van Rimmon, den Beërothiet, en zeide tot hen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die mijn ziel uit alle benauwdheid verlost heeft,

10bDewijl ik dien die mij boodschapte, zeggende: Zie, 22Saul is dood; daar hij in 23zijn ogen was als een die goede boodschap bracht, nochtans 24gegrepen en te Ziklag gedood heb, 25hoewel hij meende dat ik hem bodeloon zou geven,

22Zeggende daarbij dat hij zelf Saul op zijn begeren had helpen doden, 2 Sam. 1:10.

23Dat is, hij dacht, hij maakte zich wijs.

24Dat is, doen grijpen en doodslaan. Zie 2 Sam. 1:15.

25Anders: hetwelk het bodeloon was dat ik hem behoorde te geven.

b 2 Sam. 1:15.

1126Hoeveel te meer, wanneer goddeloze mannen een 27rechtvaardigen man in zijn huis op zijn slaapstede hebben gedood! Nu dan, zou ik zijn bloed van uw handen niet 28eisen en u van de aarde wegdoen?

26Te weten, behoor ik zulks te doen.

27Dat is, die zulks aan hen gans niet verdiend had.

28Door u te straffen omdat gij zijn bloed hebt vergoten, en het, als ook den man zijn leven, niet kunt wedergeven. Zie Gen. 9 op vers 5. Ps. 9:13. Ez. 3:18, 20; 33:8.

12En David gebood zijn 29jongens, en zij doodden hen en hieuwen hun handen en hun voeten af en hingen ze op bij den vijver te Hebron; maar het hoofd van Isbóseth namen zij en begroeven het in Abners cgraf te Hebron.

29Dat is, dienaars, hovelingen, officieren, pages.

c 2 Sam. 3:32.