De lofzang van Maria


Lukas 1:46-55

1Mijn ziel verheft Gods eer;
Mijn geest mag blij den Heer’
Mijn Zaligmaker noemen,
Die, in haar lagen staat,
Zijn dienstmaagd niet versmaadt,
Maar van Zijn gunst doet roemen.

2Want ziet, om ’s Heeren daân,
Zal elk geslacht voortaan
Alom mij zalig spreken;
Wijl God, na ramp en leed,
Mij grote dingen deed;
Nu is Zijn macht gebleken.

3Hoe heilig is Zijn Naam!
Laat volk bij volk tezaam
Barmhartigheid verwachten;
Nu Hij de zaligheid,
Voor die Hem vreest, bereidt,
Door al de nageslachten.

4Des Heeren arm is sterk;
Hij deed een krachtig werk;
Die hoog zijn van gevoelen,
Heeft Hij verstrooid, verward,
Met alles wat het hart
Dier trotsen mocht bedoelen.

5Die stout zijn op hun macht,
Heeft Hij versmaad, veracht,
Gestoten van de tronen;
Maar Hij verhoogt en hoedt
Het nederig gemoed,
Waarin Zijn Geest wil wonen.

6Hij heeft, na lang geduld,
Met goederen vervuld
Der hongerigen monden;
Hij zag geen rijken aan;
Maar heeft z’, in hunnen waan,
Gans ledig weggezonden.

7Zijn goedheid klom ten top;
Hij nam Zijn Isrel op,
Naar ’t heil, Zijn knecht beschoren,
Gelijk Hij, ons ten troost,
Aan Abram en zijn kroost,
Voor eeuwig, had gezworen.